C1 Advanced · Reading & Use of English · Deel 5
Lees een langere tekst en kies bij elke vraag het beste antwoord (A–D).
Een langere tekst met meerkeuzevragen erover, in de volgorde van de tekst, en de moeilijkheid zit zelden in het begrijpen. Meestal snap je elke zin. Wat het lastig maakt, is dat drie van de vier opties óók ergens in de tekst steun vinden – alleen niet in het stuk waar de vraag over gaat.
De gewoonte die dit oplost: zoek de plek in de tekst waar de vraag over gaat, vat in je eigen woorden samen wat daar staat, en lees pas dan de opties. Als je eerst de opties leest, ga je op zoek naar bevestiging – en er is altijd iets wat op bevestiging lijkt.
Op C1 worden de teksten betogend en gaan de vragen over wat er wordt geïmpliceerd. Je moet zeggen wat de schrijver suggereert zonder het uit te spreken, waar de toon verschuift, of wat een bepaalde formulering over de houding van de schrijver verraadt – en het antwoord zit vaak verspreid over een alinea in plaats van in één regel. Bij verwijsvragen (‘waarnaar verwijst “this” in regel 30’) loont het om te vertragen in plaats van te scannen.
Ja, in dit deel wel, en dat is handig voor je tempo – als je het antwoord op vraag vier in de eerste alinea zoekt, is er ergens iets misgegaan. De laatste vraag gaat vaak over de tekst als geheel in plaats van over één regel.
Het onderdeel heeft geen tijdslimiet per deel, dus dat bepaal je zelf – maar het zijn de leesdelen waar kandidaten in tijdnood komen, niet de Use of English-delen. Bepaal je verdeling vóór het examen en oefen om je eraan te houden, in plaats van het op de dag zelf uit te zoeken.