B2 First · Reading & Use of English · Deel 1
Kies voor elke lege plek in een korte tekst het beste woord (A–D) – hier draait het om woordenschat.
Acht gaten in een korte tekst, vier opties per gat, en bijna altijd betekenen alle vier de opties ongeveer hetzelfde. Dat is precies de bedoeling: dit deel toetst collocaties – met welke woorden een woord samengaat – en niet of je de definitie kent. ‘Make a decision’ en ‘do a decision’ zijn allebei even begrijpelijk; alleen het eerste is Engels.
De verkeerde manier om dit te oefenen is dus de drie afgevallen opties opzoeken. De goede manier is kijken waar het juiste woord aan vastzat – het voorzetsel erachter, het zelfstandig naamwoord ervoor, de vaste uitdrukking waar het bij hoort – en dat paar noteren in plaats van het losse woord. Aan woordenlijsten heb je hier weinig; aan lijsten met uitdrukkingen veel.
Op B2 gaat het om hoogfrequente woordenschat: woorden die je al eens bent tegengekomen, in combinaties die je misschien nooit zijn opgevallen. De meest voorkomende valkuil is een werkwoord dat een ander voorzetsel krijgt dan zijn naaste synoniem, of een paar als ‘hard’ en ‘hardly’ waarvan er maar één in de uitdrukking past.
Lees de hele zin, niet alleen het gat. De aanwijzing zit meestal in een woord vlak vóór of na de open plek – een voorzetsel, een vaste uitdrukking, een phrasal verb – en niet in de algemene strekking van de tekst. Passen alle vier de opties qua betekenis, dan is het een collocatievraag en zal de betekenis de knoop niet voor je doorhakken.
Altijd. Een fout antwoord kost geen punten, dus een leeg gat is gewoon een weggegeven punt. Streep eerst de opties weg die de grammatica van de zin breken – dan blijven er vaak twee over in plaats van vier.